Vroege middeleeuwen


Dit artikel ondergaat een review. Denk mee, help mee, geef commentaar op de review-pagina.

De vroege middeleeuwen, die doorgaans gesitueerd worden van de Val van het West-Romeinse Rijk in de 5e eeuw tot en met de 10e eeuw, vormen de eerste periode van de Europese middeleeuwen.

De eerste helft van de vroege middeleeuwen, van het einde van de 4e tot aan de 8e eeuw, werd volgens historicus Dick Harrison gekarakteriseerd door een groot, moeilijk te definiëren overgangsproces waarin de klassieke samenleving veranderde in de middeleeuwse samenleving.[2] In de periode van 600 tot 1000 was er sprake van een langzaam maar gedurig herstel van West-Europa waarin de bevolking groeide en de handel zich herstelde.

De vroege middeleeuwen werden verder gekenmerkt door het voortbestaan van het Byzantijnse Rijk en de opkomst van meerdere Germaanse koninkrijken. Daarnaast ontwikkelde het Arabische Rijk zich in deze periode als een nieuwe machtige speler, die voet aan de grond kreeg op het Iberisch Schiereiland en op Sicilië. In 800 werd de titel van keizer in het westen geherintroduceerd door Karel de Grote. Zijn rijk domineerde in deze tijd zowel politiek als cultureel gezien Europa. In diezelfde tijd kwamen de Vikingen op, die door middel van rooftochten hun sporen op het continent achterlieten. In het jaar 1000, formeel het einde van de vroege middeleeuwen, waren het Byzantijnse Rijk, het koninkrijk Engeland en het kalifaat Córdoba de meest solide staten van Europa.

Periodisering


Periodes uit de
westerse geschiedenis


Portaal   Geschiedenis
Portaal   Middeleeuwen

Om meer grip te krijgen op de lange en brede periode van de Europese middeleeuwen hebben 19e-eeuwse Duitse historici getracht om dat tijdvak op te delen. Zij kwamen met de onderverdeling Früh-, Hoch- en Spätmittelalter, oftewel de vroege, hoge en late middeleeuwen. Britse collega's volgden hen hierin, maar de historici in de Romaanstalige landen maakten alleen een onderverdeling in vroege (Frans: bas) en late (Frans: haut) middeleeuwen.[3]

Over het precieze begin en einde van de vroege middeleeuwen bestaan verschillende opvattingen. De Nederlandse historici Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers laten de vroege middeleeuwen beginnen in het jaar 300.[4] De Zweedse mediëvist Dick Harrison laat daarentegen de periode omstreeks 500 beginnen.[2] Als eindpunt voor de vroege middeleeuwen wordt vaak het jaar 1000 genomen, onder anderen door de eerdergenoemde historici. De Amerikaanse historicus Charles Homer Haskins was in 1928 de eerste die dat jaar koos als breekpunt van de middeleeuwen. Hij zag de periode van 1000 tot 1200 als het tijdperk van de renaissance van de 12e eeuw. Daarnaast kiezen sommige historici voor het jaar 950 als overgang van de vroege middeleeuwen en naar de hoge middeleeuwen vanwege de grote bevolkingsgroei die zich toen aandiende.[5]

Donkere middeleeuwen

De oorsprong van de term 'donkere middeleeuwen' kan teruggevonden worden in de geschriften van Petrarca, die de middeleeuwen aanduidde als donker. Ook de protestanten noemden de middeleeuwen donker vanwege de dominante positie van het katholicisme.[6] De Britse historicus Edward Gibbon greep in zijn The History of the Decline and Fall of the Roman Empire terug op Petrarca en had het over de “donkerheid van de middeleeuwen”. Hierdoor begonnen de termen middeleeuwen en de donkere middeleeuwen (Engels: Dark Ages) uit te groeien tot synoniemen.[7] Door hernieuwd en grondiger onderzoek ontstond er in de negentiende eeuw een beter beeld van de middeleeuwen en raakte de terminologie in onbruik. De term "donkere middeleeuwen" ijlde nog na in de Angelsaksische wereld als aanduiding van de periode uit de Engelse geschiedenis van voor de Normandische verovering van Engeland in 1066. Op termijn bleek deze term hier ook niet langer houdbaar en gebruikten Angelsaksische historici voor deze periode alleen nog de aanduiding "vroege middeleeuwen".[8]

Staatkundige ontwikkelingen


Val van het West-Romeinse Rijk

In de 3e eeuw na Chr. kreeg het Romeinse Rijk te maken met een aantal crises die tezamen een neerwaartse demografische en economische spiraal veroorzaakten. Om de teruggang te stoppen voerde keizer Diocletianus een aantal hervormingen door. Zo deelde hij het Romeinse grondgebied op in het West-Romeinse Rijk en het Oost-Romeinse Rijk dat later Byzantijnse Rijk ging heten. Verder codificeerde hij het Romeins recht en hervormde hij de Romeinse munt en het belastingstelsel. Tevens verplichtte hij alle Romeinse burgers zich te confirmeren aan de Romeinse religie.[9]

Diocletianus veranderde ook het militaire beleid en splitste de strijdkrachten in lichtbewapende grenstroepen en mobiele interventielegers die waren gelegerd in garnizoensplaatsen. Doordat de bereidheid onder de Romeinse bevolking om in de legioenen te dienen medio 4e eeuw sterk was afgenomen, sloten de Romeinse keizers veel nieuwe bondgenootschappen met andere volken. Vanaf dat moment werden soldaten voornamelijk uit de "barbaarse" bevolking gerekruteerd. Hierdoor bestonden ook de elite-eenheden steeds meer uit niet-Romeinse soldaten en klom een aantal niet-Romeinen op tot militaire topfuncties.[10]

Volgens Edward Gibbon viel het Romeinse Rijk door "barbarism and religion", maar deze visie wordt door moderne historici betwist. In het jaar 476 werd de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus door de "barbaar" Odoaker afgezet. Deze stuurde de symbolen van de keizerlijke waardigheid naar de keizer in Constantinopel en onderhandelde over zijn eigen positie. Formeel was er in het jaar 476 dan ook geen sprake van een breuk. Pas in 518 sprak de Oost-Romeinse historicus Marcellinus Comes over de val van het West-Romeinse Rijk, al was dit waarschijnlijk een poging om de macht van keizer Justinianus I over het westen te legitimeren.[11]

Byzantijnse Rijk

Zie Byzantijnse Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De dood van keizer Theodosius I resulteerde in de definitieve scheiding tussen het West-Romeinse en het Oost-Romeinse Rijk. Omstreeks het jaar 400 was het Oost-Romeinse Rijk een politiek stabiele en fiscaal geïntegreerde staat. De naam veranderde in "Byzantijnse Rijk" na de val van Constantinopel in 1453. Historici gingen vanaf dat moment de nieuwe naam gebruiken om het rijk te onderscheiden van het authentieke Romeinse Rijk. Orthodoxe Christenen, die de periode zagen als een gouden eeuw van de hun beschaving, namen de term over en noemden zich Byzantijnen.[12]

Waar in de 5e eeuw het West-Romeinse Rijk werd overlopen door vele volkeren, had zijn oostelijke buur hier in veel mindere mate mee te maken. Alleen volkeren uit de noordelijke Balkan, het moderne Bulgarije en Joegoslavië, waren in die tijd grote bedreigingen voor het rijk. De Byzantijnen kenden een korte periode van verval onder keizer Zeno. Onder zijn opvolger Anastasius I werden de keizerlijke financiën hervormd. Het rijk kende een opleving onder het bewind van keizer Justinianus I. Hij hernieuwde het rechtssysteem (Codex Justinianus), reorganiseerde de keizerlijke administratie en begon aan uitgebreide bouwprojecten, zoals de Hagia Sophia in de hoofdstad Constantinopel. Daarnaast ging hij over tot het heroveren van voormalige Romeinse provincies. Zo herwon hij Noord-Afrika, Sicilië, Italië en een deel van Spanje.[13]

Het herstelbeleid van Justinianus I begon in het midden van de 6e eeuw te haperen. De externe druk van de Sassaniden in het oosten en de komst van de Avaren en Bulgaren konden de Byzantijnse keizers met wisselend succes afweren. Keizer Herakleios wist de Sassaniden in 627 te verslaan in de slag bij Ninive, maar de provincies Syria en Palestina gingen een kleine tien jaar later aan de moslims verloren. In de 7e en 8e eeuw werden de militaire organisatie en de belastingen hervormd.[14]

Tot omstreeks het jaar 800 behaalden de Byzantijnse legers slechts kleine successen, maar aan het einde van de 9e eeuw begon het tij te keren. De Byzantijnen konden hun positie versterken in het zuiden van Italië en Anatolië. De veroveringen die het rijk in de 10e eeuw boekte, zoals Cilicië en Armenia, waren vooral mogelijk door de verzwakking van de vijanden van de Byzantijnen en door de politieke stabiliteit van het Byzantijnse Rijk. Deze stabiliteit werd bewerkstelligd doordat er een werkzaam evenwicht werd gevonden tussen de erfelijke monarchie van het rijk en de inmenging in de staatszaken door de legertop.[15] Na de dood van de succesvolle generaal en medekeizer Johannes I Tzimiskes brak er een burgeroorlog in het rijk uit waarin Basileios II Boulgaroktonos de macht greep en vervolgens Bulgarije wist te veroveren. Bij zijn overlijden in 1025 was het Byzantijnse Rijk weer een grootmacht.[16]

Volksverhuizingen

Zie Grote Volksverhuizing voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Al sinds de 2e eeuw waren vele volkeren aan de noordgrens van de Donau en de oostgrens van de Rijn in beweging. Een van de eerste volkeren die een plek binnen het Romeinse Rijk wisten te veroveren waren de Alemannen, die in Zuidwest-Duitsland neerstreken. De Saksen waren een ander Germaans volk dat in de 3e eeuw het rijk binnentrok. Het merendeel van deze migraties vond plaats in de periode tussen 300 en 600 en staat bekend als de Grote Volksverhuizing.[17]

De machtsverhoudingen veranderden significant nadat de Hunnen omstreeks 370 ten noordwesten van de Zwarte Zee Europa waren binnengetrokken. Door de druk van de Hunnen werden de Ostrogoten gedwongen om zuidwaarts te trekken, de Donau over, richting het Romeinse Rijk. Aanvankelijk waren de Romeinen bereid de Ostrogoten op te nemen in ruil voor de belofte troepen aan het Romeinse leger te leveren, maar de spanningen liepen weldra op en dit leidde in 378 tot de Slag bij Adrianopel. Vier jaar later werd een overeenkomst gesloten tussen de Romeinen en de Goten waarbij deze laatsten zich als foederati mochten vestigen in Moesia. Onder leiding van Alarik I vielen de Goten in 408 Italië binnen waar ze de Romeinen versloegen. Tijdens hun plundertochten brandschatten de Goten de stad Rome in 410, als eerste buitenlands leger na bijna 800 jaar.[18]

In 406 stak aan de noordgrens van het Romeinse Rijk, bij het huidige Mainz, een groot leger de bevroren Rijn over. Dit leger bestond uit Vandalen, Sueven, Alanen en later ook Bourgondiërs. Vanwege de voedselschaarste trokken de troepen van plaats naar plaats en plunderden het platteland. In 409 staken de Vandalen, Alanen en Sueven de Pyreneeën over om daar verder te gaan met de plunderingen. Kort na hun komst werden ze gevolgd door de Goten, die zich vestigden als foederati in Aquitanië, vanwaar ze een machtig rijk uitbouwden. De Vandalen en Alanen staken de Middellandse Zee over en veroverden in 439 Carthago, dat de hoofdstad werd van het Vandaalse Rijk.[19]

In Brittannië kwam vanaf het eind van de 4e eeuw geleidelijk aan een eind aan de Romeinse aanwezigheid. De eerste troepen vertrokken om ingezet te worden in de Romeinse burgeroorlogen die toen woedden. De laatste troepen werden teruggeroepen in 407 om de verdediging te versterken tegen de indringers die het jaar daarvoor de Rijn waren overgestoken. Het eiland viel daarop uiteen in ongeveer dertig lokale politieke eenheden. Weldra werd de macht in Brittannië overgenomen door een aantal Germaanse volkeren die waarschijnlijk Romeinse hulptroepen waren geweest: de Angelen, Saksen en de Juten.[20] In de tweede helft van de 5e eeuw nam de migratie aanzienlijk toe en ontstonden er een zevental koninkrijken die in de 6e eeuw regelmatig met elkaar in oorlog waren.[21]

Sub-Romeinse koninkrijken

Frankische Rijk

Merovingen
Zie Merovingen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een van de weinige Germaanse volkeren die niet heel West-Europa doortrokken waren de Franken. Nadat de Salische Franken in 358 door de Romeinen waren verslagen kregen ze toestemming om zich te vestigen in Toxandrië.[22] Onder leiding van koning Clovis I werd de machtssfeer van de Franken behoorlijk uitgebreid. Hij wist te zegevieren over de Alemannen en versloeg de Visigoten in de Slag bij Vouillé, waardoor hij een groot gedeelte van Zuid-Gallië veroverde. Bij zijn dood in 511 was hij de heerser van een West-Europese grootmacht.[23] Na de dood van Clovis werd zijn rijk verdeeld onder zijn zonen, een Frankische gewoonte die in de 6e eeuw tot veel burgeroorlogen leidde. Pas na de dood van Brunhilde in 613 kwam er een einde aan dit tijdperk. De periode van vrede die hierop volgde wordt beschouwd als het hoogtepunt van het Merovingische Frankische Rijk.[24]

Na de dood van koning Dagobert I in 639 werd de opdeling van het Frankische Rijk geconsolideerd in een Austrasisch en Neustrisch-Bourgondisch blok. In deze tijd verschoof ook de werkelijke macht steeds meer van de koningen naar de leidende elite. Bij hun aantreden waren vele van de Merovingische koningen nog minderjarig en stonden daarom in de schaduw van hun elite. In de tweede helft van de 7e eeuw namen de gevechten tussen de elitefacties en koningen toe en hierdoor verzwakte de controle van het centrale gezag over de perifere regio's. De Merovingische koningen uit de periode 680 tot halverwege de 8e eeuw staan bekend als de rois faineants, de koningen die niets doen. Zij zouden overschaduwd zijn geweest door hun hofmeiers.[25] Dit ambt werd in Austrasië al snel gemonopoliseerd door de Pepiniden, die vernoemd waren naar hun stamvader Pepijn van Landen. In het jaar 700 verkregen zij ook de positie van hofmeier in Neustrië.[26]

Karel de Grote
Zie Karolingische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de dood van Pepijn van Landen in 714 brak er een burgeroorlog uit in het Frankische Rijk die uiteindelijk door Pepijns zoon Karel Martel werd gewonnen. Karel was voortdurend in oorlog en consolideerde de macht van de dynastie die naar hem vernoemd zou worden: de Karolingen. Met zijn dood viel het rijk opnieuw uiteen en in 749 waren de Frankische kernlanden min of meer gepacificeerd. Gesteund door een periode van vrede besloot de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte, in 751 om de Merovingers af te zetten en zichzelf uit te roepen tot koning. De paus keurde zijn kroning goed.[27] Met de middelen van het verenigde Frankische Rijk zouden hij en zijn opvolger Karel de Grote het machtigste rijk voortbrengen dat West-Europa had aanschouwd sinds de val van Rome.[28]

De macht van de Karolingen was vooral ten koste gegaan van de macht van de Longobarden. In 774 versloeg Karel de Grote de laatste Longobardische koning die daarop de wijk nam en vervolgens liet Karel zich uitroepen tot koning van de Longobarden. Naast zijn veroveringen in Italië ondernam hij ook veroveringstochten in het huidige Duitsland tegen diverse autonome hertogen. De laatste van hen, Tassilo III van Beieren, werd in 788 afgezet. De oorlogen tegen de Saksen leidden tot dwangbekeringen, massa-executies en volksdeportaties. Pas in 804 kon het Saksische gebied worden gepacificeerd.[29] Op de Eerste Kerstdag van het jaar 800 werd Karel door Paus Leo III gekroond tot Romeins keizer.[30]

De splitsing van het Karolingische Rijk

Lodewijk de Vrome volgde zijn vader Karel de Grote op na diens dood als zijn enig overgebleven zoon. De nieuwe keizer had zelf drie zonen en in zijn successieregeling verdeelde hij zijn rijk onder hen drieën. Nog tijdens zijn regering wedijverden zijn kinderen met elkaar en bij de dood van Lodewijk in 840 werd het rijk in tweeën gedeeld onder twee van de koningskinderen: Karel de Kale en Lodewijk de Duitser. Bij het Verdrag van Verdun werd toch een driedeling gemaakt waarbij Lotharius I het Middenrijk kreeg toegewezen.[31] Tussen 876 en 884 was het rijk voor korte tijd weer herenigd onder Karel de Kale, maar de politieke netwerken waren in zijn tijd al zo ver uit elkaar gegroeid dat het effectiever was om deze rijksdelen afzonderlijk te besturen.[32]

In de eeuw na 887 streden negen Frankische adellijke families om het koningschap in een van de rijksdelen. Enkelen van hen waren verwant aan de Karolingen, maar de meesten waren dat niet. In 987 slaagde Hugo Capet erin om het koningschap van de Karolingen in West-Francië over te nemen, maar in deze tijd was de macht van de koning verkleind tot een gebied rondom Parijs en maakte hertogen en graven de dienst uit in de rest van het rijk. Hendrik de Vogelaar werd de eerste koning uit het geslacht van de Ottonen in het Oost-Frankische Rijk die door middel van zijn veldtochten een solide machtsbasis kon uitbouwen voor zijn nakomelingen.[33]

Longobarden

Zie Longobardische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Longobarden waren gevestigd op de Balkan en omstreeks 510 domineerden zij samen met de Gepiden het noordelijk gedeelte van dit schiereiland.[35] Na de komst van de Avaren sloten de Longobarden zich bij hen aan en werden de Gepiden in 567 verslagen. Gesterkt door dit succes trok de Longobardische koning Alboin het jaar daarop Italië binnen. Het volk vestigde zich aanvankelijk in Noordoost-Italië met Pavia als belangrijkste centrum. Na de dood van de zoon van Alboin viel het rijk uiteen in diverse onafhankelijke hertogdommen. De Longobarden vestigden zich ook in Midden- en Zuid-Italië waar ze de hertogdommen Spoleto en Benevento stichtten. Deze hertogdommen leidden ten opzichte van de Longobardische territoria in het noorden een afzonderlijk politiek bestaan.[36]

Eind 6e eeuw dreigde de ondergang voor het Longobardische Rijk door de opmars van de Franken en Byzantijnen. Als gevolg daarvan gaven verschillende stadshertogen hun autonomie op en erkenden ze Authari als hun koning. Authari verkreeg ook een koninklijk domein, wat hem en zijn opvolgers een solide machtsbasis gaven. Met behulp van deze bezittingen slaagden Authari en zijn opvolger Agilulf erin hun externe vijanden te verslaan. Tevens werden de regio's Emilia en Venetia veroverd. Op deze manier ontstond er aan het begin van de zevende eeuw een christelijke Longobardische monarchie.[36]

In de eerste helft van de 8e eeuw kende het Longobardische Rijk een bloeiperiode. In het midden van de eeuw had het bijna het hele schiereiland veroverd. De belangrijke Byzantijnse stad Ravenna viel in 751. Ook de onafhankelijke hertogdommen Spoleto en Benevento werden door de Longobardische koningen verslagen. Hierdoor kwamen ook de pausen van Rome verder in het nauw te zitten en hierop riep de paus de hulp van de Franken in. De Frankische Karolingische koning Pepijn de Korte begon een reeks oorlogen tegen de Longobarden die het einde van het rijk inleidde.[37]

Visigoten

Zie Visigotische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 455 startte de Visigotische koning Theodorik II vanuit Toulouse een invasie op het Iberisch Schiereiland. De Visigoten versloegen het Suevenrijk in de Slag aan de Urbicus en nog hetzelfde jaar werd de Suevische koning Rechiar gedood waarmee er ook een voorlopig einde kwam aan het Suevische Rijk. Aan het einde van de 5e eeuw migreerden er grote groepen Goten vanuit Aquitanië naar het zuiden om zich daar te vestigen. Door de machtsuitbreiding van Clovis ten noorden van de Pyreneeën viel het Visigotische Rijk uiteen. In de halve eeuw die daarop volgde ging de rijksvorming van de Goten gepaard met politieke crises. Door de tussenkomst van de Ostrogoten werd de Frankische opmars gestuit en bleef Septimanië nog twee eeuwen lang Gotisch bezit.[38]

Ten tijde van de regering van de koning Leovigild kende het rijk een bloeiperiode. Hij veroverde het opstandige Córdoba en het Byzantijnse Medina-Sidonia en ging vervolgens op pad om de noordelijke provincies zoals Cantabrië te veroveren. Daarnaast maakte hij ook een definitief einde aan het Suevenrijk en hiermee omvatte zijn rijk in 585 het gehele schiereiland, uitgezonderd de Baskische bergen en de Byzantijnse steden. Onder Leovigild werd ook het prestige van de monarchie vergroot. Dit deed hij door middel van het gebruik van op de Oost-Romeinse traditie geïnspireerde regalia, werd aanwijzen van Toledo tot staatscentrum en de invoering van een Visigotische munt. Zijn opvolger Reccared I liet zich vervolgens van het arianisme bekeren tot de dominante katholieke stroming van het christendom.[39]

Tot aan 624 hielden de Visigotische offensieven tegen buitenlandse vijanden aan en daarop brak een periode van relatieve rust aan. De problemen van de Visigoten waren in de laatste honderd jaar van hun rijk meer intern dan extern van aard. Bij de intrede van de moslims in 711 werd het Visigotische leger en koninkrijk weggevaagd door de legers van Tariq ibn Zijad.[40]

Brittannië

In de tweede helft van de 6e eeuw veroverden de Angelsaksen steeds meer gebied op de Kelten en werden deze teruggedrongen naar Cornwall, Wales en Cumbria. De Picten, die in het huidige Schotland woonden, wisten de opmars van de Angelen in 685 te stuiten in de Slag bij Dun Nechtain, maar weldra werd het noordelijk gedeelte van Brittannië overheerst en beïnvloed door het door de Ieren gestichte Koninkrijk Dalriada.[42] De eerste Angelsaksische koning die zich liet dopen was Æthelberht van Kent. In de zevende en 8e eeuw verdwenen een aantal kleinere Angelsaksische koninkrijken en gingen een paar grotere koninkrijken het eiland domineren. In het midden van Engeland ging het Koninkrijk Mercia een grote rol spelen, in Noordoost-Engeland ontstond Northumbria en in het zuiden speelden de koninkrijken Wessex, Sussex en Kent een belangrijke rol. Met name de koningen van Northumbria, Wessex en Mercia expandeerden richting het westen en konden zo hun regionale machtspositie versterken.[43]

Het koninkrijk Mercia werd in de 8e eeuw stevig beïnvloed door de Franken. Zo stelde koning Offa omstreeks 760 een muntstelsel in dat gebaseerd was op het stelsel van Pepijn de Korte. De Angelsaksische koninkrijken waren aan het begin van de 9e eeuw niet voorbereid op de aanvallen van de Vikingen. In de periode van 865-878 was er sprake van een veroveringsoorlog door de Vikingen en zo maakten ze een einde aan de Angelsaksische koninkrijken, behalve Wessex. Onder koning Alfred de Grote hield dit rijk zich staande tegen de Vikingen en zijn zoon Eduard de Oudere zou beginnen met de verovering van de Scandinavische rijken op het eiland. In 954 werd Northumbria door de Angelsaksen heroverd. De veroveringen van Wessex leidden ertoe dat Engeland voor het eerst geünificeerd werd. Langzamerhand kwam de term Engeland ook in gebruik.[44]

Opkomst islam

Na de dood van de profeet Mohammed op het Arabisch Schiereiland werd het gezag van de islam onder de opvolgers van Mohammed, de kaliefen, razendsnel verspreid. In het jaar 636 versloegen de opvolgers van Mohammed het Byzantijnse Rijk in de Slag bij de Jarmuk. Hierdoor lagen de gebieden van Palestina en Syrië open voor verovering. Na een paar jaar zouden de Byzantijnen ook in Egypte door de moslims verdreven worden.[45] Tussen 717 en 718 belegerden de Arabieren Constantinopel en na een beleg van dertien maanden moesten ze noodgedwongen het beleg opgeven. Het fiasco van het beleg was zo groot dat het keizer Leo III in staat stelde om enig verloren gebied te heroveren.[46]

Al-Andalus

In 711 werd het huidige Marokko veroverd en na deze gebiedsuitbreiding werd er een expeditie naar het Iberisch Schiereiland ondernomen onder leiding van Tariq ibn Zijad. Deze expeditie was aanvankelijk bedoeld als een plundertocht. Tariq ibn Zijad slaagde er echter in een snel opgetrommeld Visigotisch leger te verslaan in de Slag bij Guadalete en door dit verlies werd de Visigotische verdediging van hun rijk lamgeslagen. Deze omstandigheden zorgden ervoor dat Tariq zonder al te veel moeite de sleutelsteden Córdoba en Toledo met zijn leger kon innemen. Aangemoedigd door dit succes kwam er een militaire invasie op gang onder leiding van Moessa bin Noessair. In 720 of 721 staken de moslims de Pyreneeën over en werd Narbonne veroverd. De opmars van de islam in Europa kwam in 740 tot stilstand door een opstand van de Berbers op het schiereiland en dit ontketende een vete die tot 756 zou aanhouden, het jaar waarin Abd al-Rahman I het onafhankelijke Emiraat Córdoba stichtte.[47] Zijn nazaat Abd al-Rahman III proclameerde in 929 het Kalifaat Córdoba en hiermee onderstreepte hij zijn legitimiteit ten opzichte van de kaliefen in Bagdad en de Egyptische Fatamiden.[48]

Het rijk van het nieuwe emiraat concentreerde zich met name op het gebied rondom de rivier de Guadalquivir en had weinig interesse voor het gebied ten noorden van de Pyreneeën. Door deze desinteresse kon in deze periode het kleine Koninkrijk Asturië ontstaan. Omstreeks het jaar 800 ontstonden er naast Asturië nog een paar andere kleine christelijke koninkrijkjes en kwam het oosten, de Spaanse Mark, onder Frankisch gezag te staan.[49] Tot aan het einde van de 10e eeuw bleef de macht van het Omajjadische kalifaat Córdoba te groot voor de christelijke vorsten in het noorden om hun gebied op het schiereiland uit te breiden.[48]

Sicilië en Bari

In het begin van de 9e eeuw was de Afrikaanse toevoer van slaven in het huidige Tunesië gestagneerd en moest de islamitische dynastie van de Aghlabiden nieuwe markten aanboren om aan de vraag naar slaven te kunnen voldoen. In juni 827 arriveerde er een leger van de Aghlabiden op Sicilië dat optrok naar Syracuse, dat vervolgens werd belegerd. Deze belegering eindigde in een deceptie voor de Arabieren.[50] Vier jaar later werd de stad Palermo door de Aghlabiden ingenomen en vestigden ze het islamitische gezag op het eiland, maar de verovering van het gehele eiland zou nog enkele decennia duren. Ondertussen waren de Arabieren ook enkele allianties aangegaan met het Hertogdom Benevento en begonnen ze ook Italië te teisteren. In 846 viel een expeditieleger ook Rome aan. Elf jaar later werd de stad Bari aangevallen en werd daar een emiraat gesticht. Het emiraat diende als uitvalsbasis voor plunderingen in het binnenland van Italië. Deze verovering was maar tijdelijk, want Bari werd in 871 door de christenen heroverd onder leiding van Lotharius II.[51]

De stad Syracuse werd door de Arabieren in 878 na een lang beleg alsnog ingenomen en de laatste Byzantijnse bezittingen op het eiland werden pas in 965 veroverd. In de tussentijd had zich een dynastieke wissel op het eiland voorgedaan. De Aghlabiden werden afgezet en in hun plaats kwam de sjiitische dynastie van de Fatimiden. De soennitische bevolking van het eiland kwam herhaaldelijk in opstand tegen het nieuwe gezag. Bij het neerslaan van de laatste grote opstand van 937-939 moordden de Fatimiden hele dorpen uit en lieten ze loyale onderdanen vanuit Afrika migreren naar Sicilië. In 948 werd Hassan al-Kalbi tot emir van Sicilië gemaakt om de positie van de Fatimiden op het eiland te versterken. Zijn nazaten zouden de komende honderd jaar over het eiland heersen en hun regering kwam nog ten einde voor de komst van de Noormannen.[52] De periode van de Kalbiden markeerde het hoogtepunt van de islamitische macht en invloed op Sicilië.[53]

Vikingen

Zie Vikingen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Rovers en handelaren

Omstreeks het jaar 800 gingen bewoners van Scandinavië op rooftocht, waarvoor historici verschillende verklaringen geven. Zo speelde de techniek een rol met de door de Vikingen ontworpen schepen die lange afstanden konden overbruggen. Daarnaast was er ook sprake van een bevolkingstoename en was er een overschot aan bereidwillige mannen die door de centraliseringspolitiek op het schiereiland bereid waren om op rooftocht te gaan.[54] In het midden van de 8e eeuw waren de Scandinaviërs de rivierstelsels aan de Oostzee gaan verkennen. Ze waren in deze richting aangetrokken door de mogelijke handel en rijkdom van het zilver.[55] De Vikingen slaagden erin om een handelsroute naar het oosten uit te bouwen die via de Oostzee naar Novgorod en vervolgens zuidwaarts ging naar de Kaspische en Zwarte Zee en uiteindelijk Constantinopel. De koopwaar van de Vikingen bestond uit pelzen, ivoor, barnsteen, honing, bijenwas en wapens die ze verkochten aan onder andere de Arabische en Bulgaarse tussenhandelaren.[56]

In 793 vestigden de Vikingen hun faam toen ze het kloostereiland van Lindisfarne plunderden. Het nieuws bereikte ook het Frankische Rijk waar Alcuinus over de aanval schreef: "...en nimmer tevoren zijn in Brittannië zulke gruwelen aanschouwd, en hebben heidenen zulk leed teweeggebracht."[57] Vervolgens was het voor een periode van veertig jaar rustig. Rond 835 werden de plundertochten naar Brittannië hervat.[58] Vanaf dat jaar doken de Noormannen ook op voor de kusten van de Lage Landen. De handelsnederzetting Dorestad werd gedurende haar bestaan vele malen geplunderd. Ook de plaatsen Antwerpen en Gent werden door de Vikingen aangedaan.[59]

Migratie

In de loop der jaren begonnen de Noormannen zich te vestigen in de gebieden die zij voorheen geplunderd hadden. Op de Britse eilanden vestigden ze zich voornamelijk op de Schotse eilanden, Oost-Engeland en Zuid-Ierland. In Ierland overwinterden de Vikingen voor het eerst in 839 en twee jaar later richtten ze hun eerste permanente centra op het eiland op, zoals Dublin.[60] Het gebied dat in Engeland door de Vikingen werd ingenomen en door hen gecontroleerd werd vanaf de negende eeuw kwam bekend te staan als de Danelaw. In Engeland zouden de Denen ook een belangrijke aanjager worden van de urbanisatie, met name steden als Lincoln en York kwamen onder hen tot ontwikkeling.[60] Daarnaast verspreidden de Vikingen zich ook verder west- en noordwaarts naar IJsland, Groenland en stichtte Leif Eriksson volgens de saga Vinland in Noord-Amerika.[61]

Op het continentale Europa werd de Vikingenhoofdman Rollo begin 10e eeuw beleend met Normandië door de Karolingische koning om Rouen en de Seine te bewaken tegen aanvallen van zijn soortgenoten. Ook vestigden de Vikingen zich in het huidige Rusland en Oekraïne. Zo zou volgens verhalen het Kievse Rijk gesticht zijn door de Scandinaviërs.[62]

Oost-Europa

Avaren en Slaven

Oost-Europa bleef voor langere tijd een regio waar Slavische en Turkse volkeren hun intrede deden, een politieke entiteit stichtten en vervolgens weer verdwenen. Het merendeel van deze immigranten bestond uit de Slaven. De boerengemeenschappen die zij vormden waren normaal gesproken onderworpen aan andere volkeren, zoals de Turkse Avaren die hun rijk stichtten op de Pannonische Vlakte. In de halve eeuw na de komst van de Avaren veranderde het centrale Donaugebied en de Balkan van een onaantrekkelijke politieke achtertuin in een van Europa's grootste onrusthaarden.[63] Halverwege de 6e eeuw vestigden ook de Slaven zich ten zuiden van de Donau. In 591 verdreef de Byzantijnse keizer Mauricius de Avaren weer ten noorden van de Donau, maar de Slavische kolonisten werden niet verdreven.[64] In 796 werd het Avaarse Rijk door de Franken van de kaart geveegd, maar de Slavische hertogdommen wisten een mate van zelfstandigheid te houden ten opzichte van de Franken. Hieruit ontwikkelden zich onder andere het Groot-Moravische Rijk dat zou bestaan tot de komst van de Magyaren.[65] De Slavische hertogdommen Bohemen en Polen zouden wel blijven voortbestaan. Toen de Arabische reiziger Ibrahim ibn Yaqub in 965 Bohemen bezocht was volgens hem Polen het grootste en het machtigste vorstendom ten oosten van het Duitse Rijk.[65]

Magyaren

Zie Hongaren voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Magyaren waren een volk dat van de Oost-Europese steppes afkwam en in 836 voor het eerst in confrontatie kwam met de Bulgaren aan de benedenloop van de Donau. Op dat moment bevond hun woongebied zich nog ten noorden van de Zwarte Zee. Aan het eind van de 9e eeuw sloten de Byzantijnen een verbond met de Magyaren om de Bulgaren te verslaan, maar khan Simeon I van Bulgarije won de strijd met de hulp van de Petsjenegen. Hierdoor waren de Magyaren genoodzaakt om te migreren en vonden ze hun nieuw thuisland op de Pannonische Vlakte.[66] Hier begonnen ze meteen een rol te spelen in de regionale politiek en in 898 startten ze met een reeks van invallen in Friuli.[67]

De Magyaren werden een plaag voor de grensstreken van het Oost-Frankische Rijk. In 936 werden de Magyaren door Hendrik de Vogelaar verslagen in de Slag bij Riade. Een groter verlies voor het volk was de Slag op het Lechveld, waardoor bij de Magyaren het besef kwam dat hun plundertochten geen effect meer hadden en ze een einde aan hun nomadisch bestaan maakten. Onder de leiding van hun vorst Géza bouwden ze een gesedenteerde samenleving op en namen ze het christendom aan.[68]

Roes

De Scandinaviërs die over de Wolga en de Dnjepr reisden stonden in het oosten bekend als de Roes.[69] De eerste Roessische staat werd gesticht door de Scandinavische dynastie van de Ruriken. Ze groeiden uit tot een belangrijke zeemacht en in 941 vielen ze ook Constantinopel aan, maar hun vloot werd vernietigd door Grieks vuur. In tegenstelling tot de West-Europese koningen waren de Roessische vorsten geen monarchen en worden ze doorgaans als prinsen of vorsten aangeduid. Een ander belangrijk verschil tussen de West-Europese staten en Roes was het feit dat de staat voor hun belasting niet afhankelijk was van de landbouw, maar van de handel.[70] De belangrijkste steden van het Kievse Rijk waren Novgorod en Kiev. In 988 bekeerde vorst Vladimir de Grote zich tot het orthodoxe christendom. Hiermee zette hij heel Oost-Europa en Rusland op de kaart van de christelijke wereld.[71]

Europa rond het jaar 1000

Van de voormalige Frankische gebiedsdelen was het oostelijk gedeelte, het Heilige Roomse Rijk, de sterkste tegen het jaar 1000. De koning of keizer regeerde in deze periode zowel over het huidige Duitsland als Italië. De Frankische koning was relatief zwak, door de lokale politieke verbrokkeling van zijn koninkrijk. Omstreeks het jaar 1000 was het Koninkrijk Engeland, ondanks haar geringe grote, het meest coherente koninkrijk in het Latijnse westen. Andere grote rijken in deze periode waren het Griekse Byzantijnse Rijk en het islamitische Al-Andalus. Deze rijken zouden in de eeuw die volgden uitgedaagd worden en in verval raken.[72]

Klimaat


Uit de zonneactiviteit is af te lezen dat er omstreeks de tweede helft van de 5e eeuw een koelere periode in Europa plaatsvond. Deze koelere periode zou voor twee eeuwen lang aanhouden en omstreeks 650 trad er een herstel op en werden de temperaturen tussen de jaren 650 en 750 warmer.[73] Vanaf het jaar 750 begon de algehele temperatuur verder te stijgen. Dit zogeheten middeleeuwse klimaatoptimum zou aanhouden tot 1350. Door een afname in vulkaanuitbarstingen en een toename van de zonnestraling ontstonden er in bepaalde delen van Europa La Niña-achtige weerpatronen, die aanleiding gaven tot warme zomers.[74] Zo kon er in deze periode zelfs wijnbouw ontstaan in Engeland. Als gevolg van het mildere klimaat verspreidde de landbouw zich snel en ontstonden er voedelsurplussen. Tevens zorgde de warmte er ook voor dat het poolijs smolt en dat de doorvaart naar Groenland makkelijker werd voor de Vikingen.[75]

Economie


Landbouw

Een belangrijke landbouwinnovatie in de vroege middeleeuwen was de uitvinding van het haam. Door het gebruik van het haam waren boeren instaat om paarden voor de ploeg te zetten. Voor de komst van deze uitvinding had het paard een geringe rol in de agrarische productie. De introductie van het haam verspreidde zich langzaam en in sommige gebieden bleef de os dienstdoen als trekdier voor de ploegen.[76] In de 10e eeuw werd in de Europese landbouw een nieuw systeem geïntroduceerd voor het bewerken van het land: het drieslagstelsel. Ook deed de risterploeg zijn intrede, deze ploeg kon gemakkelijker de natte, kleiige gronden van Noord-Europa doorploegen. Dit soort ploegen konden niet werken met hekwerken en hierdoor ontstond de karakteristieke uitstraling van de middeleeuwse landbouw: lange, gegroefde stroken land zonder omheiningen. Dit nieuwe systeem droeg bij aan het voedseloverschot en een betere levensstandaard voor bijna iedereen.[77] Daarnaast was er ook sprake van een overgang van op granen gerichte monocultuur naar een meer gevarieerde levensmiddelenhuishouding en dit is een van de weinig grote landbouwhistorische ontwikkelingen van de vroege middeleeuwen.[78]

Handel

Het economische systeem dat sinds de laatantieke oudheid Europa domineerde was de lange afstandshandel die georiënteerd was op de Middellandse Zee en Zuid-Europa met Azië verbond. In de jaren 1930 stelde de Belgische historicus Henri Pirenne dat deze handel verstoord werd door de Arabieren. Tot dan toe werd er aangenomen dat de handel afgeremd was door de Volksverhuizingen. Pirenne wees erop dat er in de 6e eeuw nog sprake was van economische bloei en dat er pas economisch verval was in de 8e eeuw. In de loop der jaren zijn er enkele bezwaren gerezen tegen de these van Pirenne, zo bleef het Middellandse Zeegebied ook na de Arabische veroveringen een belangrijke transitozone. De moslims zouden zelfs zorgen voor een opleving van de internationale handel.[79]

De regionale handel nam pas vanaf de 7e eeuw toe qua betekenis. Verscheidene Karolingische koningen verschaften aan diverse plaatsen Marktrechten. Deze handel sloot via de jaarmarkten aan op de langeafstandshandel. Door de gespecialiseerde langeafstandshandel ontstond er ook een nieuw type stadsachtige nederzettingen, de emporia of wiks. Deze steden fungeerden als vaste ontmoetingsplaatsen voor handelaren die werkzaam waren op de lange afstandshandel.[80] Bekende voorbeelden van dit soort plaatsen waren Dorestad en Quentovic.[81] De handel van de vroege middeleeuwen kende dan ook een verrassende dynamiek in de agrarische economie van die periode die slechts een geringe graad van commercialisering kende.[82]

De handel in de vroegmiddeleeuwse periode moet vooral gezien worden als een middel ter bevoorrading van de elite met hooggewaardeerde prestigegoederen die tevens dienst deden als geschenken. Hierbij kan gedacht worden aan wapens, slaven, paarden en goud. Deze geschenken werden vaak uitgeruild in een vorm van een moreel bepaalde wederkerigheid, zoals tussen krijgsheer en krijger.[83]

Munten

Om de toenemende handel in de 7e eeuw te ondersteunen werd in deze periode een nieuwe munt geïntroduceerd: de denarius, ook wel bekend als de penning. De invoering van deze munt bleek een succes te zijn, want in de 8ste eeuw werden er een miljoen penningen geslagen. De zilveren penningen werden geslagen ten gevolge van een voortvloeiende afvloeiing van goud naar het oosten dat het gevolg was van een negatieve betalingsbalans. Deze zou omslaan in de beginjaren van de regering van Karel de Grote. Vanaf deze periode gingen grote hoeveelheden Arabisch zilvergeld richting het westen.[80]

Demografie


Demografische ontwikkelingen

De Volksverhuizingen en de pestuitbraken hadden tot gevolg gehad dat de bevolkingsdichtheid van Europa in de vroege middeleeuwen afnam. Volgens schattingen nam de bevolking met vijftig procent af in post-Romeins Gallië, Italië en Spanje. Sommige dichtbeboste gebieden zoals de Ardennen zouden zelfs geheel ontvolkt zijn geraakt. Lange tijd is aangenomen dat de gehele periode van de vroege middeleeuwen een periode was van bevolkingsafname en stagnatie, maar uit modern onderzoek blijkt dat er sprake was van een langzaam, maar gedurig herstel. Volgens schattingen zou de West-Europese bevolking tussen de jaren 600 en 1000 zich hebben verdubbeld, respectievelijk van ongeveer 12 miljoen naar 24 miljoen inwoners.[84] Deze cijfers zijn echter wel hypothesen over de bevolkingsgrote ten tijde van de vroege middeleeuwen, want statistische gegevens over deze periode ontbreken volledig.[85]

In het jaar 541 brak de Pest van Justinianus uit. Volgens Procopius begon deze ziekte in Egypte en verspreidde het van daar naar Alexandrië en Constantinopel. Uit onderzoek van de Franse arts en demograaf Jean-Noël Biraben bleek dat deze pestepidemie vooral een oost-mediterraans verschijnsel was. Deze epidemie had gevolgen voor het hele kustgebied van de Middellandse Zee, maar concentreerde zich voornamelijk in het oostelijk gedeelte. Ook Italië en Gallië werden door de ziekte geteisterd, maar niet zo heftig als de oostelijke kant. De epidemie volgde in haar verspreiding het spoor van de soldaten, matrozen en kooplui. Zodoende werden ook de drukbezochte Provence en het dal van de Rhône getroffen. Het grootste gedeelte van Aquitanië en Noord-Frankrijk zijn de dans ontsprongen. Na het jaar 600 kwam de pest uitsluitend nog voor in het oosten.[86]

Urbanisatie

In de vroege middeleeuwen was er in zekere mate sprake van de-urbanisatie. De bevolking in de steden liep in de eerste eeuwen drastisch terug. De stad Rome, die in de 1e eeuw 1 miljoen inwoners had, kende een bevolking van een half miljoen in de 5e eeuw en in de 7e eeuw lag het inwonertal nog maar tussen de 20.000 en de 40.000. Hiermee was de stad nog steeds de grootste stad van Europa, na Constantinopel.[87] In Italië was het urbane bewustzijn dan ook het grootst van Europa. Zo behielden de steden in Noord- en Midden-Italië haar dominantie ten opzichte van het platteland zoals ze die ook in de klassieke oudheid hadden. De grootste steden krompen weliswaar, maar de demografische verschuivingen waren in breder perspectief marginaal.[88]

Met name de voormalige Romeinse steden in Noord-Europa hadden te maken met een sterke achteruitgang in de 5e en 6e eeuw. Meerdere steden lijken in deze periode volledig te zijn verlaten. Uitzonderingen hierop zijn zowel York als Canterbury die als bolwerken van de autoriteiten wisten te overleven. Ook in Noord-Frankrijk kenden de steden een algemene achteruitgang. De de-urbanisatie werd niet zo zeer veroorzaakt door een demografische achteruitgang. Het lijkt eerder het geval dat de steden hun aantrekkingskracht verloren en dat daarom minder mensen naar de steden trokken. Op den duur veranderden enkele van deze landelijke dorpen naar handelsemporia.[89]

In het begin van de 11e eeuw was Constantinopel nog steeds de grootste stad van Europa met een waarschijnlijk inwoneraantal van 600.000 mensen. In het westen was Córdoba de grootste stad met zo'n 100.000 inwoners, maar de meeste Europese steden, zoals Keulen, Rome en Milaan, hadden op dat moment tussen de 30.000 en 40.000 inwoners. De aantallen van de westerse hoofdsteden Londen en Parijs lagen nog lager en bereikten pas aan het einde van de 11e eeuw 20.000 inwoners.[90] De meest geürbaniseerde regio tussen de achtste en de 10e eeuw was Andalusië met 400.000 inwoners.[91]

Maatschappij


Levensomstandigheden

In de vroege middeleeuwen maakte het eten van vlees een grote opmars in Europa. Naast de jagende koningen aten de boeren ook meer vlees, met name varkensvlees. Het dieet was een gezonde mix van landbouwproducten van brood, vlees en verzameld voedsel zoals bessen en paddenstoelen. Er waren wel grote regionale verschillen, zo werd langs de kust meer vis gegeten dan landinwaarts en verhoudingsgewijs aten Zuid-Europeanen meer brood dan Noord-Europeanen.[92]

Slavernij

Met het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk in Europa verdween echter niet de slavernij op het continent. Mensen werden tot slaaf gemaakt door middel van onderlinge oorlogen tussen de vele volkeren. Daarnaast werd de slavenpopulatie aangevuld door mensen die in de armoede terecht kwamen en zodoende zichzelf verkochten.[93] De Longobardische monnik en historicus Paulus Diaconus maakte melding over de voortplanting van de Germanen en volgens hem was dat de reden dat "immense hoeveelheden slaven zo dikwijls worden weggevoerd uit het dichtbevolkte Germania en worden verkocht aan de mensen in het zuiden." Zo waren de Vikingen bekende slavenhandelaren. Door middel van epidemieën en opstanden van Afrikaanse slaven wendde de Arabische Wereld zich tot de slavenmarkten in het noorden en het westen. Ze betaalden goed voor deze arbeidskrachten. Een tot slaaf gemaakte bracht aan de overzijde van de Middellandse Zee driemaal zoveel op dan in het noorden.[94] Geleidelijk aan verplaatsten de slavenmarkten van West-Europa zich verder oostwaarts. Zo waren de steden Mainz, Praag en Venetië belangrijke exportplaatsen voor de slavenhandel.[95]

Lange tijd liet de katholieke kerk de slavernij in Europa ongemoeid, maar omstreeks het jaar 1000 kwam daar verandering in door de hervormingsbeweging die toen gaande was in de kerk. Er kwam een meer gereserveerde houding van de kerk tegenover de slavernij, vanwege dat het concubinaat en bastaardij veelvuldig voorkwamen met slavenvrouwen. In het continentale Europa greep deze beweging snel om zich heen en wist een einde te maken aan de slavernij. In het Angelsaksische Engeland werd deze gewoonte pas na de Normandische verovering van Engeland afgeschaft. Op een bepaald punt in de Angelsaksische geschiedenis bestond 10 procent van de bevolking uit tot slaaf gemaakte mensen. Volgens een andere schatting bedroeg deze zelfs 30 procent.[96]

Horigheid

In de loop der jaren begonnen de grenzen te vervagen tussen de vrije en onvrije boeren en werden vele boeren lijfeigenen of horigen. Het is echter onbekend hoe de boeren hun zelfstandigheid kwijtraakten, maar in tegenstelling tot de slaven hadden de horigen wel bezit.[97] De horigheid, of lijfeigenschap, was erfelijk. Deze boeren waren in grote mate afhankelijk van hun heer en moesten verplicht iets van hun werk afdragen aan de heer in de ruil voor zijn bescherming. Met name in Frankrijk en Engeland waren de meeste boeren horigen. In Saksen daarentegen en andere delen van het huidige Duitsland waren de vrije boeren in de meerderheid en Italië varieerden de boeren van kleine landeigenaren tot pachters. De heren gingen soms over tot het tijdelijk verlichten van de verplichtingen van hun horigen om nieuw land te cultiveren door middel van het droogleggen van moerassen en het kappen van bossen. Andere heren gingen over om de diensten en de bijdrages om te zetten naar betalingen in geld. Ook de boeren profiteerden zelf hiervan omdat de betalingen vast lagen zonder een vorm van inflatie. Toen de prijzen van de landbouwproducten stegen konden boeren op kleine schaal gaan ondernemen en hun goederen op markten gaan verkopen.[98]

Naast hun werk voor de heren moesten de vroegmiddeleeuwse boeren ook hun kerkelijke tienden betalen. Deze belasting werd in de 9e en 10e eeuw in een groot deel van christelijk Europa ingevoerd. De invoering van de tiende leidde tot verzwaring van de precaire levensomstandigheden op het platteland. In de regel belandde een groot deel van de tiende ook niet bij de groepen waarvoor ze bedoeld waren, maar kwamen ze terecht bij de adel die zich hiermee verder verrijkte.[99]

Feodalisme en vazalliteit

De Karolingische koningen hadden hun fideles, hun trouwe mannen die voor hen vochten. In de 10e eeuw werden koningen meer afhankelijk van deze afhankelijkheidsbanden en hadden ze vasalli (vazallen) nodig. Zij waren bewapende mannen die voor hun heer vochten. Soms was het zo dat deze ondergeschikten een stuk land van hun heer kregen die ze als beloning hadden gekregen voor hun militaire trouw. De terminologie die aan deze landgoederen werd gegeven was een leengoed (feodum), hieraan werd de term feodalisme ontleend. Deze term duidt op het sociale en economische systeem dat gecreëerd werd door de onderlinge relaties tussen heren, vazallen een leengoederen.[100]

In het feodale systeem kwam het ook voor dat een heer zowel vazal van een andere heer was als dat hij zelf vazallen had. De vazalliteit was vrijwillig en publiekelijk en in sommige regio's ging het ook gepaard met een ceremonie. Hierin knielde de toekomstige vazal, plaatste zijn handen tussen die van zijn heer en zei daarop: "Ik beloof u uw man te zijn". Deze woorden werden gevolgd door door de belofte van trouw die de vazal beloofde met zijn hand op een reliek of de Bijbel. Door deze ceremonie waren de vazal en de leenheer publiekelijk aan elkaar verbonden en hadden ze de wederzijdse verplichting om elkaar te helpen.[77]

Religie


Christendom

Zie Geschiedenis van het christendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onder keizer Theodosius I werd het christendom tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk verheven. Hierdoor steeg het aantal christenen in het rijk vrij snel. Omstreeks het jaar 300 was 10 tot 25 procent van de totale bevolking van het rijk christelijk en aan het eind van de eeuw was deze verdubbeld. Het succes van het christendom werd versterkt door drie institutionele factoren die bepalend zijn geweest voor de richting waarin de kerk zich daarna ontwikkelde. Deze factoren waren de leidende rol die de keizer en de bisschop van Rome hadden, de snelgroeiende rijkdom van de kerk en de strakke bisschoppelijke organisatie die voortkwamen uit de laatantieke basiseenheden van het civiele bestuur, de civitates.[102]

De rijkdom van de kerk was deels afkomstig van de paganistische heiligdommen die de kerk overnam. Een ander deel van haar geldmiddelen was afkomstig van de schenkingen van koningen en keizers. Door dit kapitaal kon de kerk een centrale positie innemen in de maatschappij door verschillende vormen van weldadigheid te doen, zoals armen- en ziekenzorg. Hierdoor verkreeg de kerk haar morele gezag in de brede (onder)lagen van de vroege middeleeuwse maatschappij. De West-Europese aristocratie die veel geld schonk aan de kerk ging ook vaak over tot de stichting van hun eigen kerken en kloosters. Dit "eigenkerkensysteem" was wijdverbreid tijdens de vroege middeleeuwen.[103]

De geloofsleer van het christendom werd in de vroege middeleeuwen met enige regelmaat bediscussieerd, met name in het oosten. Vele hiervan gingen over de natuur van Christus. Zo meenden de Monofysieten dat Christus één goddelijke natuur had en hier tegenover stonden de Nestorianen die geloofden dat hij een menselijke natuur had. Op hun beurt stelden de Arianen dat Jezus Christus en de Heilige Geest niet gelijk waren aan God de Vader. Deze beide zienswijzen over de goddelijke natuur, het nestorianisme en arianisme, werden op het Concilie van Chalcedon in 451 tot een dwaalleer verklaard. Ondanks hun veroordeling zouden deze beide "dwaalleren" eeuwenlang het standaardgeloof blijven van christelijke minderheden in Afrika en Azië.[104]

De kerk van Rome

In de kerkelijke hiërarchie stonden er boven de metropolitanen, de latere aartsbisschoppen, de patriarchen. Deze naam was bij hij het Eerste Concilie van Nicea toegekend aan de bisschoppen van de grootste steden van het Romeinse Rijk. Er ontstond al snel een strijd om de hoogste positie die gewonnen werd door de bisschoppen van Rome, de pausen. Zij beriepen zich op de bijzondere plaats van Rome in de christelijke heilsgeschiedenis, namelijk als sterfplaats van de apostel Petrus. De pausen presenteerden Petrus als de eerste paus en beriepen zich erop zijn opvolgers te zijn. Damasus I en Leo I waren belangrijke pausen in het vestigen van het primaatschap van de bisschoppen van Rome.[105]

Naast hun religieuze positie als bisschop van Rome hadden de pausen ook wereldlijke macht en waren ze in de 6e eeuw de machthebbers over de stad Rome. Onder Paus Gregorius I werd de fundering gelegd voor de latere seculiere en religieuze invloed die de pausen zouden hebben. Ten tijde van het pontificaat van Gregorius werd de paus de grootste landbezitter van Italië en organiseerde hij de verdediging van de stad Rome.[106]

Toen de Byzantijnse keizer in de 8e eeuw zijn macht over Rome verloor raakte hij ook zijn macht over de paus kwijt. Daarnaast waren er een paar ontwikkelingen in gang gezet waardoor de verwijdering tussen de keizer in Constantinopel en de paus in de eeuwen die volgden nog groter werd. Dat was de Byzantijnse aantasting van het kerkelijk bezit in Zuid-Italië, de voorkeur van enkele Byzantijnse keizers voor het iconoclasme en daarnaast ook het gebrek aan bescherming wat de Byzantijnen konden bieden tegen de Longobarden. Hierom zochten de pausen naar een nieuwe bondgenoot en beschermer en deze vonden ze deze in de Karolingen. Pepijn de Korte erkende de Kerkelijke Staat, dat indertijd bestond uit wat gebieden rondom de steden Ravenna en Rome.[107]

Monasticisme

Het christelijke monnikenleven ontstond aan het einde van de 3e eeuw in Egypte en Palestina en in deze vroegste vorm was het monnikenleven nog een kluizenaarsbestaan.[108] Een van de eerste monniken die een kloostergemeenschap stichtte was Basilius van Caesarea en zijn gemeenschap zou model komen te staan voor de eerste kloosters in Klein-Azië. Tevens zorgde hij ervoor dat de monastieke beweging onder de kerkelijke hiërarchie kwam te vallen. Waarschijnlijk speelde bisschop Hilarius van Poitiers een belangrijke rol van het overbrengen van de oosterse monastieke gebruiken naar West-Europa. Hij was een belangrijke mentor van Martinus van Tours die uitgroeide tot een belangrijk figuur in het vroege kloosterleven in westen. Tegen de 5e eeuw was de ascetische traditie vanuit het oosten overgebracht naar West-Europa en kreeg het kloosterleven vaste voet aan de grond.[109]

Een van de belangrijkste vormgevers van het kloosterleven was Benedictus van Nursia. Deze Italiaanse monnik was verantwoordelijk voor het opstellen van de Regula Benedicti, zijn kloosterregel. Zijn regel kreeg grote bekendheid door de hagiografie die paus Gregorius de Grote over hem schreef. Voor vele eeuwen zou de Regel van Benedictus de standaardvoorschriften van het leven in de Europese kloosters bepalen.[110] In de loop der eeuwen verwaterde de handhaving van Benedictus' kloosterregel en dit noopte tot hervormingen. Verscheidene kloosters hervormden in de 10e eeuw, maar de grootste hervormer van die tijd was de Orde van Cluny. De orde zou aan het einde van de elfde aan het hoofd staan van een omvangrijk kloosterimperium. Het was een broedplaats voor toegewijde prelaten en een leerschool voor vrome vorsten. Tevens zou de orde aan de wieg staan van de Gregoriaanse hervorming van het pausschap in de 11e eeuw.[111]

Kerstening

Het christendom was een religie die gericht was op het bekeren van anderen tot het ware geloof. Deze missioneringsdrang vindt zijn oorsprong in de Bijbel, maar pas na 311 kwam de missiedrang van de christenen op gang. De kerkvader Augustinus schreef dat de kerk niet beperkt moest blijven tot de beschaafde wereld van het Romeinse Rijk en dat daarom ook de barbaarse heidenen tot het ware geloof van de kerk gebracht moesten worden. Hij tekende hier wel bij op dat hij een tegenstander was van bekering door geweld. Ongelovigen moesten overtuigd worden.[112]

Door de invallen van de vele volkeren ten tijde van de Volksverhuizingen werd het christendom enige tijd teruggedrongen in Europa. Deze volkeren lieten zich vrij snel bekeren tot het christendom, zo bekeerden de Goten zich al vóór het jaar 400. Een van de bekendste bekeerlingen was de Frankische koning Clovis I omstreeks 500. Door deze daad waren zijn krijgers en volgelingen genoodzaakt om dit voorbeeld te volgen. De bekering hield in deze dus niet een individuele getuigenis van geloof in, maar was een collectieve actie binnen een clientèlesysteem.[113] Het kwam met enige regelmaat voor dat koningen en de aristocratische elite zich bekeerden uit politiek opportunisme om op die manier politieke allianties te sluiten. Het bekeringsbeleid vanuit het Frankische Rijk ging wel gepaard met geweld. Hun militaire onderwerping van regio's en volkeren gingen gepaard met gedwongen kerstening. Tot de eerste slachtoffers van deze methode behoorden de Friezen en de Saksen. Het bekeringswerk in deze gebieden werd meestal ondernomen door Angelsaksische missionarissen, zoals Willibrord en Bonifatius, en zij deden dat vaak in het gezelschap van Frankische bescherming.[114]

De kerstening was ook een vorm van competitie tussen de Franken en het Byzantijnse Rijk die beiden politieke invloed zochten in Oost-Europa. Toen de Moravische vorst Rastislav verdere autonomie van de Franken wilde zocht hij naar de steun van Byzantium. De latere heiligen Cyrillus en Methodius trokken erop uit om hem te bekeren en ze stelden ook een nieuw alfabet samen dat aansloot op de Slavische talen. Het Oudkerkslavisch was een belangrijk wapen in de kerstening van de Slavische bevolking in Oost-Europa.[115]

De Franken ondernamen ook pogingen om Scandinavië te kerstenen, maar deze liep al snel vast. Pas in de 10e eeuw zou de kerstening van de Scandinavische volkeren zich voltrekken. In 960 bekeerde de Deense koning Harald Blauwtand zich en deze hield stand door de militaire successen die deze koningen maakten. Waar de koningen en de aristocraten snel werden bekeerd duurde dit langer bij het gewone volk. Nog in de 12e eeuw werden er nog heidense rituelen in Scandinavië uitgevoerd. Ook de bekering van de Wenden, ten oosten van de Elbe, zou pas in de 12e eeuw voltooid worden. Met de bekering van de Magyaarse vorst Stefanus was bijna heel Europa in het midden van de 11e eeuw overgegaan tot het christendom.[116]

Islam in Europa

Na de dood van Mohammed werd de islamitische gemeenschap geleid door de kaliefen. Toen de derde kalief Oethman ibn Affan aan het hoofd kwam van het Arabische Rijk ontstond er een onderlinge strijd in het rijk waarin de kalief vermoord werd. De tegenstand tegen Oethman werd geleid door Ali ibn Aboe Talib, een neef van Mohammed, die na de dood van Oethman ook kalief werd. Toen hij op zijn beurt weer stierf kwam het kalifaat in de handen van de Omajjaden, de familie van Oethman. De volgelingen van Ali vergaten hun leider niet en vormden een nieuwe stroming binnen de islam. Zij kwamen bekend te staan als de Sjieten. De kaliefen en de andere moslims die trouw bleven aan de Omajjaden kwamen bekend te staan als de soennieten.[117]

Ook binnen de Europese aanwezigheid van de moslims was de scheiding tussen deze geloofsstromen zichtbaar. De soennitische Ommajjadendynastie wist de Abbasidische dynastie te overleven toen een telg uit dit geslacht, Abd al-Rahman I, het Emiraat Córdoba stichtte. De bevolking van het Emiraat Córdoba bestond omstreeks het jaar 900 voor het merendeel uit christenen en joden. Slechts 25 procent van de bevolking was moslim en een eeuw later was een derde van de bevolking islamitisch.[118] De joodse en christelijke bevolking werden zwaar belast door de heersers van Córdoba en mede door dit geld werd de Mezquita in de hoofdstad gebouwd. Sommige moslimmannen in het emiraat namen christelijke vrouwen en de religieuze praktijken in het gebied zouden een beetje met elkaar versmelten.[119]

Op Sicilië had aanvankelijke de soennitische versie van de islam zijn intrede gedaan onder de Aghlabiden. Na de machtsovername van de sjiitische Fatimiden werden de soennieten, die de grootste groep moslims vormden op Sicilië, op het eiland onderdrukt door de nieuwe machthebbers.[52] In de Fatamidische periode werd het eiland door moslims gezien als een achtergesteld gebied, vanwege de gemixte bevolking en gebruiken die Griekse elementen kende.[120] Het eiland was rijk aan vele moskeeën, zo telde de islamitische reiziger Ibn Hawqal alleen al in Palermo driehonderd islamitische gebedshuizen. Latere schrijvers hebben ook geschreven over de bloeiperiode van de islamitische cultuur op het eiland. Hier is echter weinig van overgebleven.[53]

Kunst


Zie Middeleeuwse kunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De vroege middeleeuwse kunst was een samensmelting van drie verschillende kunsttradities, de Grieks-Romeinse, de christelijke en de invloeden van de bestaand en nieuwe volkeren in Noord-Europa.[121] De vroegmiddeleeuwse kunst wordt doorgaans onderverdeeld in vroeg christelijke kunst, de kunst van het migratietijdperk, Byzantijnse kunst, de Insulaire kunst, de Karolingische en Ottoonse kunst en ten slotte de Romaanse kunst. De kunst uit deze gehele periode werd in verschillende vormen geuit, zoals in beeldhouwwerk, metaalwerk en glas in lood.[122]

De kunst van het migratietijdperk is te herkennen aan de polychrome en animalistische stijl. Bekende voorbeelden hiervan zijn teruggevonden in de vroegmiddeleeuwse koningsgraven. Een van de meest belangrijke monumenten van de vroegmiddeleeuwse kunst was het graf van de Frankische koning Childerik I dat in 1683 werd ontdekt. De gouden insecten die in zijn graf werden gevonden zouden eeuwen later als inspiratie dienen voor de keizerlijke mantel van Napoleon. Het graf was rijk aan kunstvoorwerpen met een polychrome en geëmailleerde stijl[123] De kunst van het emailleren was wijdverbreid en is ook teruggevonden in de schatten van Sutton Hoo. De meeste objecten die hier gevonden zijn werden lokaal vervaardigd of in het Frankische Rijk.[124]

Een van de meest diverse stijlen van vroegmiddeleeuwse kunst was de Byzantijnse. Deze kende invloeden uit Griekenland, Romeins Italië, maar ook uit het Nabije Oosten. Door deze mix van stijlen is de Byzantijnse stijl ook vrij herkenbaar, met name de mozaïeken waren een belangrijke exponent van deze kunststroming. Deze kwam bijvoorbeeld tot uiting in de mozaïeken van de Basiliek van Sant'Apollinare in Classe. De Byzantijnen waren ook de koploper in het gebruik van beeldspraak om de Bijbelse verhalen te weergeven voor de ongeletterde gasten in de kerk. De Romeinse tradities werden ook toegepast in de Karolingische kunst en de nadruk lag vooral op het imiteren van klassieke motieven, dan op innovatie. De meest bekende uitingen van de Karolingische kunst is vooral klein en decoratief van aard.[125]

In de 5e eeuw werd er ook gestart met het verluchten van boeken, een van de oudste verluchte bijbels is de Quedlinburg Itala. Deze vorm van kunst zou een belangrijke rol spelen in de duizend jaar die volgden.[126] Een van de invloedrijkste scholen qua boekverluchtingen is afkomstig van de Britse eilanden. De Britse stijl van verluchten wordt ook wel "Insular" (van de eilanden) genoemd. De stijl ontwikkelde zich aanvankelijk in de Ierse kloosters en verspreidde zich vervolgens naar Brittannië. Vanaf daar zou het ook de kloosters op het continentale Europa beïnvloeden. De Insular-stijl kenmerkt zich door een synthese van verschillende culturen. Zo bevat het dierlijke elementen uit de Germaanse kunst, de kromlijnige decoratie van de Keltische cultuur en de menselijke figuren en wijnranken die uit de antieke kunst voortkwamen.[127]

Gedurende de 9e eeuw begonnen de vroegmiddeleeuwse kunstenaars af te stappen van de klassieke modellen en daarvoor in de plaats kwam een nieuwe beeldtaal van gebaren en houdingen dat meer ruimte overliet voor de innerlijke emoties. Op deze manier ontstond ook meer ruimte voor het tonen van spirituele ideeën in de kunst. In de Ebbo-evangeliën zijn de vormen van de klassieke kunst nauwelijks meer in te herkennen. Dit was een van de belangrijkste ontwikkelingen in de kunst van West-Europa in deze periode.[128]

De islamitische kunst kende in tegenstelling tot de christelijke geen traditie van het maken van heilige afbeeldingen. Zelfs visuele symbolen werden vermeden. Een van de meest specifieke elementen van de islamitische kunst waren inscripties. Hierdoor werd het een kunst van tekens in plaats van symbolen of afbeeldingen.[129] Ook in Spanje manifesteerde de islamitische kunst zich. De uit ivoor gesneden pyxissen worden als hoogtepunt van de Hispano-islamitische kunst beschouwd.[130] In Spanje smolt de islamitische kunst samen met de reeds bestaande Visigotisch-christelijke in de Mozarabische kunst. Deze was met name christelijk van aard en uitte zich met name in de kleine religieuze kunst, zoals aardewerk, textiel en keramiek. Door middel van migratie werden de Mozarabische kunstinvloeden noordwaarts verspreid in Europa.[131] De islamitische kunst werd vanaf begin af aan ook in het christelijke Europa hoog gewaardeerd en dat leidde tot de import van aardewerk, zijde en metaalwerk.[132]

Architectuur


De architectuur van de vroege middeleeuwen bouwde voort op de Romeinse architectuur en maakte gebruik van de kenmerkende ronde bogen en tongewelven.[133] Voor de 4e eeuw was er ook nog geen sprake van een christelijke architectuur. Na de bekering van Constantijn kreeg het een christendom een bestaand Romeins gebouwtype, de basilica, die dienst zou doen als gebedshuis. In zijn rijk zou Constantijn diverse basilica oprichten voor zijn nieuwe godsdienst, waaronder de Sint-Jan van Lateranen in Rome.[134]

De Byzantijnse architectuur werd sterk beïnvloed door de Romeinse architectuur. De karakteristieke Byzantijnse Grieks kruis geplande kerken kwamen voort uit een combinatie van de Romeinse Basilica en een symmetrisch middenplan. Een belangrijk facet van de Byzantijnse kerken was het koepeldak. Byzantijnse bouwwerken hadden hoge ruimtes en weelderige decoratie: marmeren zuilen en inlegwerk, mozaïeken op de gewelven, ingelegde vloeren en soms gouden cassetteplafonds.[135] De Byzantijnse architectuur kende haar hoogtijdagen tijdens het bewind van keizer Justinianus I en het bekendste exponent van deze architectuur is de Hagia Sophia. Deze kerk combineerde de bouw van de basilica met die van het Pantheon in Rome. Al bleek de koepel van de nieuwe kerk in Constantinopel instabiel te zijn en stortte deze in 558 al in zijn geheel in.[136]

De St Augustine's Abbey in Canterbury was de eerste kerk van de christelijk-Romeinse stijl in het huidige Engeland. In de Angelsaksische architectuur die hieruit ontstond werd ook veelvuldig gebruik gemaakt van hout voor de bouw van kerken. De meeste uit hout opgetrokken kerken zijn later met steen herbouwd. Uit onderzoek is gebleken dat ook de grote seculiere gebouwen in de vroege middeleeuwen van Engeland van hout gemaakt waren. Dat in deze periode hoofdzakelijk gebouwen met hout werden opgetrokken komt vanwege het feit dat de Angelsaksen geen traditie hadden in het bouwen met steen. In de gebieden waaruit zij gemigreerd waren bestonden nauwelijks de benodigde materialen voor bouw in steen. Ondanks dat veel gebouwen in hout werden gebouwd is gebleken dat er tussen de vijfde en de 7e eeuw diverse stenen gebouwen zijn opgetrokken op het terrein van Tintagel Castle.[137]

Met de bouw van de Akener koningspalts voor Karel de Grote werd er wederom teruggegrepen op de basilica, ditmaal als troonzaal van de palts. De decoratie van de aangrenzende kerk was sterk geïnspireerd op de Basiliek van San Vitale in Ravenna.[138] De architectuur van de Karolingers introduceerde de westwaartse bouw van kerken. Ook deden het koor en de transepten in de kerken hun intrede onder de Karolingische bouwheren.[139] De Karolingische bouwstijl werd vervolgens ook door de christelijke koninkrijken in Spanje toegepast.[140]

In Spanje was gedurende de middeleeuwen de Moorse architectuur vrij dominant. Deze ontleende uit verschillende culturen hun stijl, zoals de Visigotische, de Berberse, de Arabisch-Islamitische, maar ook die van West-Europa en Byzantium. Belangrijke elementen in de Moorse architectuur zijn de hoefijzerbogen, binnenplaatsen, grote koepels, decoratief en kleurrijk tegelwerk en de honingraatgewelven. Naast het Iberisch schiereiland verspreidde deze bouwkunst zich ook naar Noord-Afrika en diverse eilanden in de Middellandse Zee.[141]

Wetenschap en onderwijs


Geletterdheid

Lange tijd overheerste er een beeld van groot analfabetisme in de vroege middeleeuwen, maar in de laatste twintig jaar van 20e eeuw is dit beeld bijgesteld door historici. Zo stelde de historica Rosamond McKitterick dat niet alleen de kerkelite kon lezen en schrijven, maar ook dat veel leken in de 8e en 9e eeuw in het Karolingische Rijk dat konden. In Zuid- en Midden-Europa was er sprake van een schriftelijke traditie, maar in het noorden en dan met name in de Keltische en Germaanse gebieden was de mondelinge traditie nog het sterkst. Het gros van de vroegmiddeleeuwse samenleving had een sterke mondelinge traditie. Zo was het pauselijk hof in Rome in deze periode het meest geletterde van Europa en ook de vorstelijke hoven van de Gallische, Hispaanse en Italiaanse rijken waren behoorlijk geletterd.[142]

Onderwijs

Dankzij de keizerlijke patronage floreerde het Romeinse onderwijssysteem in de nadagen van het rijk en was Gallië in de 4e eeuw een centrum van onderwijs. Met de barbaarse invallen leek het Romeinse onderwijs in deze landen te verdwijnen. Toch zijn er verschillende aanwijzingen dat het seculier onderwijs in Gallië niet compleet verdween na de komst van de Franken. Zo waren er verschillende docenten nog actief in de stedelijke centra van Zuidoost-Gallië.[143] Het kerkelijk onderwijs deed in deze periode ook zijn intrede. Bisschoppen stichtten scholen bij hun kathedralen om de priesters voor hun diocees op te leiden. Ook de kloosters kenden scholen waar de jonge leden van de orde in opgeleid werden.[144] Leerlingen kregen op de kathedraal- en kloosterscholen les volgens het systeem dat Cassiodorus had geïntroduceerd in zijn Institutiones. In het tweede deel van dit werk legde hij de basis voor de zeven vrije kunsten. Deze waren opgedeeld in het trivium en quadrivium en de vakken die hiertoe behoorden waren grammatica, dialectica, retorica (trivium), aritmetica, geometria, musica en astronomie (quadrivium).[145]

Astrologie als wetenschap

In de vroegmiddeleeuwse ideeënwereld kwam astrologie op als een belangrijk wetenschappelijk terrein. De astrologie werd door de intelligentsia van de middeleeuwen geassocieerd met de astronomie. In de Etymologiae van Isidorus van Sevilla geeft deze bisschop een definitie aan beide begrippen. Hij omschreef astrologie als de leer van de krachten die op een of andere manier verband houden met de bewegingen van hemellichamen. Hierin maakte Isidorus ook een onderscheid in twee verschillende soorten astrologie: de "natuurlijke" en de "bijgelovige". De natuurlijke gaf volgens hem commentaar op de met de loop van de tijd veranderende bewegingen van de hemellichamen en de bijgelovige was daarentegen gericht op directe voorspellingen. Deze laatste moest dan ook volgens Isidorus veroordeeld worden. Doordat een deel van de astrologie door Isidorus werd toegelaten zou op den duur meer astrologie geaccepteerd worden, ook de door hem zo verfoeide bijgelovige variant. Later zou bijvoorbeeld Eligius maansverduisteringen verklaren aan de hand van Gods macht. Zo zou God de maan hebben geschapen als tegenwicht voor de duisternis. Op deze manier werd heidense het bijgeloof van de zevende en achtste langzamerhand veranderd in christelijk bijgeloof.[146]

Karolingische renaissance

Zie Karolingische renaissance voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Karolingische hof van Karel de Grote was een belangrijke aanjager van een aantal wetenschappelijke ontwikkelingen in het begin van de 9e eeuw. Een van de belangrijkste geleerden uit deze periode was Karels raadsheer Alcuinus die door de Frankische koning uit Engeland was gehaald om zijn paleisschool te leiden. Karel de Grote verordonneerde dat de kathedralen en kloosters in zijn rijk lezen en schrijven moesten leren aan eenieder die kon leren.[147] Belangrijke centra van educatie in deze tijd waren de paleisschool van Aken en de kloosters van Sint-Maarten in Tours en de abdij van Fulda. De kloosters startten ook bibliotheken door het vele kopiëren van oude teksten zoals de klassieke Latijnse literatuur van Cicero, Julius Caesar en Horatius.[148]

Naast Alcuinus haalde Karel de Grote ook andere intellectuelen naar zijn hof en onder hen bevonden zich Theodulf van Orléans en Einhard. Karel de Kale liet zich op zijn beurt adviseren door Hincmar van Reims, de Ierse Johannes Scotus en Hrabanus Maurus. Deze denkers waren verantwoordelijk voor een massa aan nieuwe geschriften zoals Bijbelse commentaren, theologie, poëzie en geschiedenis. Daarnaast schreef Dhuoda, de vrouw van Bernhard van Septimanië, een handboek vol met adviezen en vermaningen die ze uit de Bijbel de klassieke teksten had ontleend.[149]

Gouden eeuw van Al-Andalus

Ene belangrijke rol voor de verspreiding van wetenschappelijke kennis waren de warraqeen, de islamitische papierhandelaren. Dankzij hun verspreidde de wetenschappelijke kennis zich vanuit Bagdad naar de gehele Dar-al-islam en kon het ook Córdoba bereiken.[150] Deze stad zou uitgroeien tot een belangrijke centrum van de wetenschap. Córdoba telde zeventig openbare bibliotheken, naast de privébibliotheek van de kalief. Daarnaast stonden er dertig vrije scholen in de stad en was de moskee van de stad een belangrijke plaats voor wetenschappers uit de gehele islamitische wereld. In de stad namen ook vrouwen deel aan het wetenschappelijke en culturele leven. Zo waren ze actief als dokters, docenten, bibliothecarissen en als kopiisten.[151] Een andere groep die flink vertegenwoordigd was in het intellectuele leven van Córdoba waren de Joden en ze speelden een fundamentele rol bij het overdragen van de wetenschappelijke kennis. Zo was de helft van alle artsen in Spanje joods. De kennis die was vergaard in Al-Andalus was afkomstig van de boeken die door de geleerden werden meegenomen uit het Kalifaat van de Abbasiden.[152] Belangrijke wetenschappers uit deze periode waren de artsen ibn Shaprut en al-Zahravi, de astronomen al-Majrati, Abbas ibn Firnas en Ibn al-Saffar en de historici Ibn al-Qūṭiyya en al-Zubaydi.

Door de culturele interactie tussen Al-Andalus en de christelijke rijken in het noorden van het schiereiland verspreidde de kennis van de teksten uit Córdoba ook in deze richting. De Franse monnik Gerbert van Aurillac studeerde aan het klooster van Santa Maria de Ripoll in Catalonië en kwam aldaar in aanraking met de uit het Arabisch vertaalde teksten en bekwaamde zich zo in de astronomie en wiskunde.[153] De kennis die hij in Iberië had opgedaan nam hij mee toen hij aan de leiding kwam van de kathedraalschool van Reims. Zo introduceerde hij onder andere Arabisch-Indische cijfers in christelijk Europa.[154]










Categorieën: Wikipedia:Artikelen in de review | Vroege middeleeuwen




Staat van informatie: 10.06.2022 02:07:26 CEST

oorsprong: Wikipedia (Auteurs [Geschiedenis])    Licentie: CC-BY-SA-3.0

Veranderingen: Alle afbeeldingen en de meeste ontwerpelementen die daarmee verband houden, zijn verwijderd. Sommige pictogrammen werden vervangen door FontAwesome-Icons. Sommige sjablonen zijn verwijderd (zoals 'artikel heeft uitbreiding nodig') of toegewezen (zoals 'hatnotes'). CSS-klassen zijn verwijderd of geharmoniseerd.
Specifieke Wikipedia-links die niet naar een artikel of categorie leiden (zoals 'Redlinks', 'links naar de bewerkpagina', 'links naar portals') zijn verwijderd. Elke externe link heeft een extra FontAwesome-Icon. Naast enkele kleine wijzigingen in het ontwerp, werden mediacontainer, kaarten, navigatiedozen, gesproken versies en Geo-microformats verwijderd.

Belangrijke opmerking Omdat de gegeven inhoud op het gegeven moment automatisch van Wikipedia wordt gehaald, was en is een handmatige verificatie niet mogelijk. Daarom garandeert LinkFang.org niet de juistheid en actualiteit van de verkregen inhoud. Als er informatie is die momenteel verkeerd is of een onjuiste weergave heeft, aarzel dan niet om Neem contact op: E-mail.
Zie ook: Afdruk & Privacy policy.